Niet zoals de gereformeerde ds. J. H. Zelle dat deed. Die preekte graag – vooral buiten zijn gemeente om extra inkomsten te vergaren – maar pastoraat en catechese lieten zeer te wensen over. In zijn eerste en enige gemeente Rockanje liep het dan ook spoedig spaak. In de pastorie liet hij nauwelijks iemand toe, terwijl niemand in hem een zielzorger of raadsman zag. Met de kerkenraad kon hij niet overweg en met de catechisanten evenmin. Orde houden was er niet bij. Hij regeerde met de vuist. Bearn Bilker schrijft in de biografie over Zelle getiteld ”Een tussenweg is er niet”: „Ouderlingen die trouw de catechisaties bezochten, waren er getuige van dat hij binnen een uur aan twaalf jongens klappen uitdeelde.” Hij weigerde een ongedoopt meisje apart les te geven. Nee, dan Otto Heldring die dit jaar anderhalve eeuw geleden overleed. Deze Reveilpredikant was vaak op reis vanwege zijn nauwe betrekking op liefdadigheidsinstellingen die hij opgericht had. Catechisatie-uren die hij daardoor verzuimde, haalde hij in. Ook gaf hij zijn catechisanten wekelijks enkele hoofdstukken uit de Bijbel op, die in de gezinnen gelezen moesten worden. Een christen zonder Bijbel noemde hij „een kind dat zijn vader niet kent, een reiziger die op ’s levenszee zijn stuurman verloor, een strijder die zijn zwaard verbrak en een erfgenaam die zijn testament verscheurde.” Een bijzonder catecheet was ook Hermann Friedrich Kohlbrugge. Catechisatielessen van deze predikant uit Elberfeld zijn uitgegeven onder de titel ”Kinderleer”. De beschreven lessen voor meisjes dateren uit de periode dat Kohlbrugge bijna de pensioengerechtige leeftijd had, inmiddels voor de tweede keer weduwnaar was en ook reeds een zoon van 25 jaar had moeten afstaan aan de dood. Ondanks deze tegenslagen was hij beslist geen zure, oude man, ongeschikt voor dit belangrijke stuk jeugdwerk. Integendeel. Kind met de kinderen toonde hij zich, en een meesterverteller. Toen hij eens over het tweede gebod lesgaf, zei hij tegen een der catechisanten: „Ga eens naar die foto toe en vraag eens: „Alstublieft dominee, mag ik een geldstuk?” In het catechisatielokaal hing namelijk een portret van hem. Toen de kinderen hem verbaasd aankeken, ging hij verder: „Waar moeten jullie dan heengaan?” „Naar uzelf dominee!” En toen ze dat inderdaad deden en hem om een geldstuk vroegen, zei hij: „Kijk kinderen, onze Heere Jezus Christus is alomtegenwoordig en jullie mogen rechtstreeks en meteen tot Hem gaan. Maar als je van een beeld iets verwacht, dan zullen jullie tevergeefs vragen.” Kohlbrugge deed ook weleens iets voor om de leerstof duidelijk te maken. Zo liet hij zich door de meisjes van zijn plaats afduwen om daarmee aan te geven dat we zachtmoedig dienen te zijn. Soms daagde hij catechisanten uit met een prikkelende stelling. Bij de bespreking van het vierde gebod over „alle dagen rusten van de boze werken” zei hij: „’s Zondags zijn wij christenen en gedragen we ons lief en aardig, gaan we naar de kerk, kleden we ons netjes, lezen rustig in een boek en zijn stil. ’s Maandags gaan we tekeer, op dinsdag worden we boos, op woensdag zijn we nijdig, donderdags geven we oorvijgen, op vrijdag schelden we en op zaterdag zijn we vuil. Dat leren we ’s zondags! Is dat waar?” Ik had best Kohlbrugge’s catechisatielessen willen volgen. Wie niet?