Jezus, Gods Zoon, beveelt niet de vissen in Petrus’ net te zwemmen. Nee, omgekeerd. Hij beveelt deze visserman zijn net uit te werpen. De vissen zwemmen er al, gereed om gevangen te worden. Deze visser moet alleen nog zijn net uitwerpen. Dat doet Petrus met tegenzin, u mag ook lezen: tegenspartelend. De vissen gehoorzamen direct, de visserman met de nodige bezwaren. De vangst is zo groot dat andere vissers moeten toeschieten om te helpen. Wanneer Petrus dat ziet, breekt hij. Hij valt aan de knieën van Jezus en roept het uit: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!” (Luk. 5:8) Wat betekent deze uitroep? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we niet uitsluitend letten op Petrus’ schuldbelijdenis. Hij weet zichzelf zondaar voor Gods Zoon. Lukas wijst ons van Petrus op Jezus. Dat doet de evangelist op een mooie, subtiele manier, namelijk door het gebruik van de naam Jezus en de titel Heere. >Stelling: De evangelist Lukas verkondigt dat Jezus mij mijn zonden leert verstaan en tegenover Hem leert belijden. Toen Jezus Petrus beval om af te steken naar diepte en daar de netten uit te werpen, erkende Petrus Jezus’ gezag door Hem met Meester aan te spreken (Luk. 5:5). Deze aanspraak getuigt van respect, maar niet meer dan dat. Nu wijst de evangelist ons erop dat Petrus aan de knieën van _Jezus_ neervalt en Hem met Héére aanspreekt (Luk. 5:8). Gebroken, geknield aan Jezus’ knieën, belijdt Petrus wie hij is tegenover Hem, Jezus de Heere. Zo werpt dit evangelie licht op een van de grote levensvragen: hoe word ik zondaar voor God? Het antwoord op deze vraag begint met een voorvraag: Wíe maakt mij zondaar voor God? De evangelist laat hier zien dat het zondaar worden voor God het werk van de Zaligmaker is. Ga tot Jezus om uw zonden en schuld voor God te leren inleven! Vlucht tot Christus met uw dorre, dode, ongevoelige hart! Hij verbreekt, verbrijzelt en verootmoedigt u. Hij brengt u aan Zijn knieën. Alleen in Zijn geborgenheid kan en mag ik mijn schuld en onwaardigheid belijden: „Heere Jezus, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!” ## Bijbelstudie 2. Lezen: Psalm 32 Jezus maakt Petrus zondaar voor God. Het laten inleven van schuld en zonden en het belijden daarvan tegenover de Heere, behoort tot Christus’ ambtelijke bediening. U heeft dus geen verontschuldiging om weg te blijven van Hem. Maar wat is zonde? Geknield aan Jezus’ knieën roept Petrus het uit: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!” Wat bedoelt Petrus met de woorden „ik ben een zondig mens”? Het woord ”zondig” bezit veel betekenissen, bijvoorbeeld crimineel. Nu, laat duidelijk zijn: Petrus is geen crimineel. Integendeel, hij werkt hard voor zijn gezin. Samen met zijn broer heeft hij heel de nacht gevist. Op een eerlijke manier verdient Petrus de kost. Petrus’ leven kan het best getypeerd worden met een bekende Hollandse uitdrukking: huisje, boompje, beestje. Hij leidt een onopvallend burgerlijk leven aan de oevers van het meer van Galilea. Wellicht herkent u zich in Petrus’ bestaan. Ogenschijnlijk schort er niets aan uw leven. Dank de Heere dat Hij u tot hiertoe bewaart voor uitspattende zonden! Tegelijkertijd kan dit nette leven leiden tot geestelijke verwarring. U hoort dat u uw zonden moet inleven om de Heere te leren kennen. Maar wat zijn mijn zonden wanneer ik van jongs af bewaard ben voor uitspattende zonden? Dit moment in Lukas leert ons wat zaligmakende zondekennis is, zondekennis die leidt tot Christuskennis. Petrus’ zonde is het minachten van Jezus’ bevel. Hij plaatst zijn mening tegenover Jezus’ bevel. Wij vissers hebben de hele nacht gezwoegd en niets gevangen. En nu zegt U: „Werp het net uit?!” Het is dat U het zegt, maar anders…. >Ligt u al geknield aan Jezus’ knieën? Kijk, dat is nu Petrus’ zonde, de zonde van het ongeloof. Aan die zonde worden we ontdekt wanneer Jezus’ liefdesbevel ons confronteert met onze minachtende gedachten van Hem. Die kleinerende gedachten huizen in ons hart. Ook in het hart van een net, keurig en kerkelijke mens. Het grootste wonder is niet dat Jezus deze zonde in mijn leven openlegt. Nee, het grootste wonder is dat ik de vreselijke zonde van mijn ongeloof geknield aan Jezus’ knieën mag belijden aan Hem. Belijden door mijn onwaardigheid tegenover de Heere uit te spreken. Heere, ga uit van mij! Mijn ongeloof maakt scheiding tussen mij en Hem. Maar Christus verbrijzelt mijn ongelovig hart en doet mij knielen aan Zijn knieën. Zijn almacht en soevereiniteit maakt mijn onwaardigheid dienstbaar aan het verheerlijken van Zijn gewillige en onbegrijpelijke zondaarsliefde.