Lezen: 1 Petrus 1:1-12 Jezus’ woorden „als gij eens bekeerd zult zijn” (Lukas 22:32) voorzeggen een moment waarin Petrus onbekeerd is. Onbekeerd in die zin dat God de schuld van zijn verloochening moet verzoenen. Zo niet, dan komt hij voor eeuwig om. Hier is geen ruimte voor een theorieles bijvoorbeeld over de volharding van de heiligen. Natuurlijk is dat allemaal waar, maar dat geldt voor een ander. Wie na het bedrijven van een zware zonde die zonde als schuld voor God opnieuw inleeft, houdt zichzelf niet meer op de been met wat hij leest of hoort van anderen, hoe goed bedoeld die woorden ook zijn. Die moet Gods stem in zijn ziel horen, zodat hij het zeker weet dat God Zichzelf met hem verzoend heeft. God moet hem bekeren, dat wil zeggen: doen sterven aan de oorzaak van deze zware zonde, zijn boze natuur. Gebeurt dat niet, dan bezondigt hij zichzelf vroeg of laat opnieuw aan diezelfde zonde. Alleen een Godswonder kan de kracht van die inwonende zonde breken. :::author_streamer 1::: Wanneer God Petrus opnieuw bekeerd heeft, veroorzaakt de pijnlijke herinnering aan die bedreven zonde een angst voor zelfoverschatting. Petrus’ zonde nu is dat hij niet bang wordt van zichzelf wanneer Jezus hem ernstig waarschuwt. Na zijn bekering veroorzaken de angst voor de inwonende zonde en de liefde tot God in Christus een teer en nabij leven voor Gods aangezicht. En nu zet Jezus nog een stap verder door te voorzeggen dat hij dan zijn broeders kan versterken (Lukas 22:32). Uitgerekend de broeders die hij eerst weggezet heeft als verraders en weglopers, zal hij dan als bekeerde verrader en wegloper versterken. Versterken in de zin van vertroosten wanneer zij vanwege zwakte onder de terreur van vervolgers bang zijn om hun Heiland te verloochen. Juist hen moet, kan en mag hij dan vertroosten met de woorden: „u die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatste tijd. In Welken gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroef zijnde door menigerlei verzoekingen, opdat de beproeving uws geloofs veel kostelijker is dan van het goud hetwelk vergaat (1 Petrus 1:6-7).”