Toen ik de vorige keer voor deze rubriek over plagiaat op de preekstoel schreef, gleed ’s avonds het Reformatorisch Dagblad door de brievenbus. Wat las ik tot mijn verbazing? Een artikel van ds. J. Belder onder de titel ”Leentjebuur” met als onderwerp: plagiaat op de kansel. De voorbeelden van Kuyper en Spurgeon die ik had gebruikt, werden door hem genoemd in die maandagse column. Natuurlijk had hij die niet van mij ‘geroofd’, want mijn artikel moest nog verschijnen toe hij het zijne inleverde. Sterker nog, het moest nog verstuurd worden naar de redactie. Eerst meende ik het stukje maar niet te laten plaatsen vanwege toch opvallend veel overeenkomsten. Mogelijk meende men nu dat ik met zijn kalf had geploegd. Stel je voor dat men me een dief van collega Belder zou noemen. Daar komt nog bij dat dr. A. A. A. Prosman in de Waarheidsvriend ook al over de anekdote van Kuyper had geschreven. „Wat zullen de mensen wel zeggen van deze schrijver van Ogenblik’.” Die overweging overheerste. „Die emerituspredikant gaat sinds het verlaten van de pastorie op zijn lauweren rusten en via knip- en plakwerk van anderen artikeltjes schrijven. Dat is dan gauw verdiend, met onlangs vijf euro loonsverhoging.” Toch heb ik het niet teruggenomen, en door een ontmoeting met een oud-kerkenraadslid heb ik me zelfs laten verleiden tot een tweede artikel over plagiaat op de preekstoel. De man herinnerde me namelijk aan het volgende voorval. Ik was nog maar amper een jaar predikant, toen ik het verzoek kreeg om voor een stichting die hulp aan predikanten in Oost-Europa bood, reformatorische gemeenten in Roemenië te bezoeken. Dit werd tevens de eerste keer dat ik in een vliegtuig stapte en in een heus hotel sliep. Er waren verblijdende, maar ook verontrustende bezoeken. Verontrustende, wanneer predikanten grote vragen stelden bij de eerste hoofdstukken van Genesis of meenden dat het geloof in de opstanding in het Oude Testament nog helemaal niet speelde. Het zingen van louter psalmen en het laten opzeggen van de Catechismus bleek in veel gevallen niet meer te zijn dan het voortzetten van een oude traditie. Toen een gereformeerd-vrijgemaakt collega die ik daar ontmoette, vertelde dat meer dan de helft van de gereformeerde kerken helemaal niet gereformeerd was, brak mijn klomp. Gelukkig waren er ook heel mooie ontmoetingen, en de herinnering daaraan bewaar ik als een gouden kleinood. Een van de predikanten daar kwam naar ons land en verbleef zelfs een nachtje in de pastorie. Hij preekte ook een aantal malen in Nederland. Twee keer in degelijk hervormde gemeenten op gereformeerde grondslag en een keer in een gemeente van midden-orthodoxe snit. Met een aantal kerkenraadsleden gingen we naar Achterberg, een van de plaatsen waar hij het woord zou voeren. Na afloop vroeg ik hen: „Hoe vonden jullie de preek?” Daar hoefden ze niet lang over na te denken. Die was zeer goed bevallen, uitgenomen het gebed. Dat was wat aan de vlakte gebleven, horizontaal zelfs. De preek was een meditatie van ds. F. Bakker uit diens boek ”Gebedsgestalten”, over het aanhoudend bidden van de Kananese vrouw. Deze bundel meditaties is namelijk in het Roemeens vertaald. De voorganger, die dezelfde preek elders al had gelezen, wist natuurlijk dat hij met die kost het rechtse gedeelte van de hervormde kerk voor zich kon winnen. Bij een ander soortige gemeente nam hij uiteraard andere stof. Een der ambtsbroeders voelde zich bedrogen. De predikant stond namelijk te oreren of het zijn eigen preek was. Er is onlangs een herdruk verschenen van het door N. Verdouw geschreven boek ”Van wie was de preek?” Verdouw behandelt het leven van predikanten en oefenaars wier werk vaak gelezen wordt. Bij een leesdienst vremeldt men namelijk doorgaans van wie de preek was. De Roemeense dominee liet dit na. Laat de predikant de gemeente wat dat betreft bedrogen hebben, de voorgelezen preek deed dat niet.