Nieuw is het niet dat een dominee op de vingers wordt getikt, omdat hij in zijn preek wel erg veel uit preken van anderen gebruikt. Tegen de remonstrantse predikant Gerard Brandt –biograaf van Michiel de Ruyter– werd zelfs een pamflet geschreven, getiteld ”Aen den onbeschaemden letter-dief”. Hij hield namelijk een preek die hij uit het Frans had vertaald. Nu geldt van nagenoeg elke predikant dat hij gebruikmaakt van commentaren en schriftuitleggers. Ook preekwerk van anderen wordt nagekeken. Zelf doe ik dat vrijwel altijd. Overigens na eerst zelfstandig alles bestudeerd te hebben. Ds .Jac. van Dijk merkte eens op dat veler preken waren opgeknápt en bijgeschílderd. Hij bedoelde dat men menig voorganger putte uit werk van ds. J.J. Knap en professor K. Schilder. Het verhaal gaat dat bij Abraham Kuyper een student een preek moest inleveren. Kuyper vroeg aan de theoloog in spe hoeveel in de preek van hemzelf was. De student antwoordde dat dit 90 procent was. Kuyper reageerde: „Dan overtref je mij, want in mijn preken is 90 procent van een ander.” Ik kan me overigens niet heugen dat Kuyper in zijn preken en meditaties voortdurend opmerkt welke bronnen hij raadpleegde. Duidelijk mag zijn dat predikanten doorgaans voortborduren op wat het voorgeslacht naliet. :::author_streamer 1::: Ooit had ”de prins der predikers” zoals Spurgeon genoemd wordt, een depressie. Preken ging niet. Hij zette zich onder de prediking van een lekenprediker ergens in een stadje buiten de rook van Londen. Terwijl Spurgeon aandachtig luisterde naar de Schriftlezing en de preek, week de depressie en mocht hij zich verblijden in zijn God. Hij liep overvloeiende van dankbaarheid op de lekenprediker toe en bedankte hem voor de prediking . De voorganger herkende Spurgeon niet en vroeg naar zijn naam. Toen deze vertelde Spurgeon te zijn, werd de man rood tot achter de oren. Wat was het geval? Hij had geen preek voorbereid, maar er een van Spurgeon voorgedragen. Spurgeon nam het sympathiek op: „Ja, dat weet ik, maar dat was precies de boodschap die ik nodig had.” Het komt mij voor dat bij vele criticasters deze notie nog wel eens ontbreekt. Vaak spelen er andere dingen een rol en is de ontdekte plagiaat de druppel die de emmer doet overlopen. Dit laat onverlet dat een voorganger zich terdege dient voor te bereiden. Hij is tenslotte alle ‘gewone’ werkzaamheden vrijgesteld om zich op de uitleg van de Schriften toe te leggen en wordt daarvoor bezoldigd. In het klassieke formulier om predikanten te bevestigen lezen we „dat zij des Heeren Woord, door de Schriften der profeten en apostelen geopenbaard, grondig en oprechtelijk aan hun volk zullen voordragen.” Laatst las ik een geweldig mooie uitleg over het laken dat vanuit de hemel aan Petrus werd vertoond op het dak van Simon de leerlooier. Deze uitleg kwam van William Huntington. Ik vond die zo mooi dat ik bij de opening van een jaarvergadering van een kleine gemeente in plaats van een meditatie deze verhandeling voorlas. Wel vertelde ik eerlijk dat het woorden van de van God geleerde kolensjouwer waren en dat ik ondanks jarenlange ervaring als predikant het niet beter kon verwoorden. Het was weliswaar niet vanaf de kansel maar vanachter een katheder. En.... er was geen honorarium aan verbonden. _Ds. M. Van Kooten, Lopik_