Wat heerlijk is het om Gods Naam te kennen. In een tijd van grote aanvechting is David vol van die Naam. Zo heeft hij [Psalm 9](https://bijbel.bmuonline.nl/statenvertaling/psalmen/9/) en 10 achter elkaar geschreven. Mogelijk is een zoon gestorven, zoals het opschrift Mûth-Labben kan betekenen. David zoekt de Heere. Er is ook een bange klacht bij hem: waarom verbergt God Zich in tijden van benauwdheid? David moet zichzelf moed inspreken: laten degenen die Uw Naam kennen op U vertrouwen. Toch weet hij: als hij de Heere zoekt, zal hij niet beschaamd uitkomen. Nooit is dat zoeken voor Zijn kinderen tevergeefs. Jezus bevestigt het: „Die zoekt, zal vinden.” Dat is de troost voor aangevochten tobbers. David spreekt daarom dit woord als een belijdenis uit zijn eigen leven uit. De Naam Heere betekent toch al: ”Ik ben er”. Zo is Hij nabij! Dat bevestigt de Heere in de volheid des tijds. De zoekende herders vonden Jezus in de stal van Bethlehem. Zo ook de wijzen uit het Oosten. De Heere maakt het waar tijdens Zijn rondwandeling op aarde, dat Hij Zich laat vinden. De verloren zoon, die alles had verzondigd, ontving al de liefdevolle armen van zijn vader voordat hij zelfs zijn schuld beleed. Zo verlaat Jezus niet degenen die Hem zoeken. Zie eens naar het kruis: Jezus verlaat zoekende zondaren niet: de ene moordenaar komt tot inkeer bij het naderen van de dood en belijdt zijn schuld. Jezus verlaat hem niet en roept Hem toe: „Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.” Zelfs die arme zoeker wordt niet verlaten. Maar wat heeft het Jezus veel gekost om degenen die Hem zoeken niet te verlaten. Wij zoeken Hem van nature niet, maar ons eigen ”ik”. Wij zijn immers zondaren, die de Heere verlaten hebben, terwijl wij buiten de Heere een verloren paradijs zoeken. Hoor evenwel nu aan het kruis: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Opdat strijdende zoekers tot Hem genomen zouden worden en nooit meer van Hem verlaten worden. Daarom mochten na Pasen de zoekende vrouwen en de discipelen Jezus vinden. Zoek Jezus dan! Hij verlaat u niet, die Hem zoekt.