Ds. Knap schrijft daarin onder andere dat oprechte bekering om belijdenis vraagt, schuldbelijdenis. In hoofdstuk VIII, getiteld: ”Een protestantsche biecht”, wijst hij de roomse praktijk van schuldbelijdenis in de privébiecht (de zogenaamde oorbiecht) af en stelt hij vervolgens de vraag: „Is hiermee nu gezegd, dat de protestanten met de oorbiecht der roomsche kerk alwat er op lijkt ten eenenmale verwerpen? Wij zouden het niet gaarne beweren.” Hij maakt onderscheid tussen privébiecht/schuldbelijdenis en „openbare biecht der gemeente, zooals zij zelfs nu nog in vele kerken vóór den aanvang der prediking wordt afgelegd.” In de tijd van Calvijn werd in Genève en in onze vaderlandse kerk door de gemeente –óf gesproken, óf gezongen– elke zondagmorgen in de kerkdienst openlijk belijdenis van zonden gedaan. Ds. Knap schrijft daarover: „Het is jammer dat deze publieke biecht niet meer algemeen in den kerkdienst plaats vindt. Zij is zuiver van toon en vermoedelijk om die reden van aangrijpenden ernst. Wanneer de gemeente deze woorden hoort uitspreken, kan het niet anders of zij ontvangt er een diepe indruk van.” Onderwijs dat we ter harte kunnen nemen. En al is het onder ons geen gemeentelijke praktijk, moge het wezenlijke van deze ‘biecht’ in ons aller hart leven! Calvijn heeft ons voor deze algemene biecht een roerende schuldbelijdenis nagelaten, die later in dichtmaat aldus is overgebracht: Almachtig’ God, door waar berouw bewogen Belijden wij voor Uwe heilig’ ogen, Dat w’ onrein stof, rampzaal’ge zondaars zijn, In schuld en smet ontvangen en geboren, Geneigd tot kwaad; en die de kracht verloren Tot alle goed, dat meerder is, dan schijn. Dit diep bederf, die bron van all’ ellenden, Doet daag’lijks ons Uw reine wetten schenden, En woelt en woedt in opstand met Uw eer. Dit diep bederf blijft elke heilbron stoppen, Het doet in ons een bang geweten kloppen, ’t Stort in een poel van jamm’ren ons terneer. Dan, Heer’, een waar gevoel van onze zonden, En hart’lijk leed, dat w’ Uwe wetten schonden, Doen ons voor U beschaamd, veroordeeld staan. Ontfermend’ God, kom ons met Uw genade In onz’ ellend’ en diep bederf te stade, Gij, Gij alleen biedt ons nog redding aan. Hoe gans onwaard w’ Uw gunst ook wezen mogen, Verheerlijk nog aan ons Uw mededogen, O Gij, Die steeds Erbarmer zijt geweest. Vertroost ons hart door Vaderlijk vergeven, En schenk, vermeêr ons voorts door heel ons leven De gaven, Heer’, van Uwe goede Geest. Zo treurt in ons een diep getroffen harte, Zoo voelen wij die ongeveinsde smarte, Die ons steeds meer der zonde sterven doet: Zo zullen wij die eed’le vruchten dragen, Die U, o God, om Jezus’ wil, behagen, En blijken zijn van een vernieuwd gemoed.