Dit woord staat voor een bijzonder diepe en rijke werkelijkheid waar ik op deze enkele pagina geen recht aan kan doen. Trouwens, op duizend pagina’s ook niet. Niettemin probeer ik een paar hoofdlijnen te schetsen. Met de belijdenis dat God soeverein is, bedoelen we dat de Heere de Verhevene, de Almachtige is. Hij doet wat Hij wil, zonder dat Hij iemand verantwoording schuldig is. Hij laat Zich niet narekenen en Hij is niet na te rekenen. Dat klinkt misschien dreigend. En ja, het is ontzagwekkend, maar voor een levende christen tegelijk zo vertroostend. Want die christen leeft in het geloof dat alles in de handen van de Heere is. Dan denk ik allereerst aan de verlossing van verloren zondaren. De Heere maakt zalig die Hij wil. Dat heeft niets met willekeur te maken, want Hij is volmaakt goed en volmaakt wijs en volmaakt rechtvaardig. Bedenk vooral: zou de Heere niet de Eerste zijn, dan werd er niemand behouden! Er is niemand die God zoekt. Alle mensen liggen in het verderf. En tóch heeft het God behaagd er ontelbaar veel te behouden. Dit stoort ons boze hart. Wij willen zelf beslissen, zelf bepalen. We kennen onze plaats niet: wij zijn mensen, en de Heere is God. Maar het is juist zo’n wonder dat zalig worden nu helemaal van de Heere afhangt. Zou het van ons mensen afhangen, dan zou niemand ooit naar Hem vragen. Dat God soeverein is, betekent ook dat Hij absolute zeggenschap heeft. Alles is aan Hem onderworpen. Hij draagt de wereld van ogenblik tot ogenblik, Hij voorziet en regeert. Zoals Hij wil. „Hoe God Zijn plan gestalte geeft, deelt Hij geen schepsel mee …”, zingt een prachtig lied van William Cowper. Dat heeft niets te maken met willekeur of onberekenbaarheid. Hij doet het namelijk alles ”naar de raad van Zijn wil”. Naar Góds wijsheid; en dat betekent op de beste manier. Want het is de wijsheid van Hem, in Wie geen onrecht ooit gevonden is. :::author_streamer 1::: Wat als God níet soeverein zou zijn? Als Hij geen absolute macht had, afhankelijk was van anderen, ook van zondaren, en wél beperkt in Zijn kunnen? Als Hij niet alles droeg, alles voorzag, ín alles voorzag en niet met vast hand regeerde? Als we nooit zeker konden zijn van Zijn bescherming? Als het noodlot zomaar toe kon slaan. Als we wél aan het toeval overgeleverd waren? Als er een nood was, waar ook Hij niet van verlossing kon? Als er een vijand bleek te zijn, die ook Hij niet overwinnen kon? Als onze duisternis zo groot was dat Hij ons er niet uittrekken kon? Wat een troosteloze mens zou een christen ziijn, wanneer er geen soevereine God was! Wat betekent het om met en voor die God te leven? Het is leven met het stille wonder van en met de stille verwondering over Gods soevereine liefde. Een kind van God mag weten: „Hij had mij lief,m omdat Hij mij lief wilde hebben, niet omdat ik zo liefelijk was …” Het is leven in overgave aan Hem, Die hoog is, heerlijk, alwetend, almachtig, genadig. Die onveranderlijk is, maar niet onbewogen. Die Zijn soevereine gang gaat. In deze wereld, in je eigen leven. Met alles wat je daar niet van begrijpt en niet doorziet. De God voor Wie je met Job leert zwijgen. „Hij is de Heere.” In ontzag. Maar ook in overgave. Is er in de nood van nu een kostbaarder parel dan die van Gods soevereiniteit? Nee, dit betekent niet dat we onze ogen sluiten voor de nood, die aangrijpend groot is. Zo veel wankelt en kantelt. Golven van verderf spoelen over de aarde. Afval en verval niet te keren, zo lijkt het. Toch … Zijn werk en Zijn kerk zijn zeer voorspoedig. Onder de hand van Christus, Die hét schuldoffer bracht, gaat het welbehagen des Heeren zéér voorspoedig voort. Zijn Koninkrijk wordt uitgebreid. Er komen er nog altijd bij. Niet één valt er ooit af. En Hij leidt het met vaste hand naar de dag dat Hij Zijn Rijk volmaken zal. _Ds. P.C. Hoek, Putten _