Ik weet het niet. Maar een ding weet ik: Het was zo ontzettend goed. Ik weet zeker dat de mensen die ons samen kenden, ook zo blij zullen zijn als het weer goed is. Het moet goedkomen. En John is zo lief, zo vergevingsgezind. Hij zal vast hetzelfde denken. Nu ga ik verandering brengen in dit gescheiden leven. O, wat zal het fijn zijn als het straks eindelijk weer goed is. Wij horen bij elkaar. Hij is vanavond naar een zendingsavond geweest. Ik ook, maar naar een andere. Ik zal hem vragen hoe het bij hem was. Hij moet weten hoeveel hij voor me betekent. Ik begin met een rood hart. Het voelt wat raar, maar deze keer komt het initiatief gewoon van mij. Het móet goedkomen. Na het rode hart schrijf ik: ,,Ik hoop dat je een heerlijke avond had. Ik wel, maar ik miste...” Ik ga schrijven dat ik de liefste persoon van mijn leven miste. En met dat ik het schrijf, word ik wakker. Een paar seconden duurt het, voordat de harde werkelijkheid doordringt. Dit kan helemaal niet. John is gestorven. Slapen en weer opnieuw realiseren. Wat kan dat onuitsprekelijk pijnlijk zijn. Een paar keer eerder heb ik een soortgelijke droom gedroomd. Het is alsof mijn brein een antwoord probeert te vinden op het plotselinge verdwijnen van mijn liefste uit mijn leven. Weduwe zijn. Onpeilbaar diep verdriet. Zo diep, dat ik er zelf vaak niet bij kan. En dat is, geloof ik, het beschermingsmechanisme dat de Heere ons gegeven heeft. De tranen schoten me soms in de ogen als ik er alleen al aan dacht om John te moeten verliezen. Of een van de kinderen. En toch zijn er te midden van dit diepe verdriet zegeningen gelaten. Zoals zo’n beschermingsmechanisme. Maar zeker niet alleen dat. Mijn troostende gedachte na de droom was: Eenmaal zullen we weer samen zijn. En nooit meer gescheiden worden. Om samen voor eeuwig Hem te dienen. Daar zal geen huwelijk meer zijn. Dat hoeft ook niet. Daar zal iedereen elkaar liefhebben, zoals wij elkaar liefhadden. Nog beter zal het zijn. Het zal perfect zijn. :::author_streamer 1::: Ik was vorige week in Ballifeary Home. Dat is het verzorgingstehuis van de Free Presbyterian Church. Het heeft mijn hart. We zijn hier niet zo gezegend met grote volle kerken als Nederland. Het personeel is dan ook vaak van allerlei (kerkelijke) achtergronden. En die achtergronden lopen nogal uiteen, hier in Schotland. Er liep een man achter de rollator. Hij wilde niet gaan zitten. Wat was hij rusteloos. Hij was telkens maar op pad met zijn rollator. „Ik zit hier opgesloten, maar mijn vrouw heeft me nodig’’’ zei hij. „Ik moet naar haar toe, maar ik kan er niet eens uit. Ze heeft me vast nodig.” Hij klampte zich aan me vast. Het was wat ongemakkelijk, want ik was in gesprek en moest eigenlijk door. Arme, arme man. Zijn vrouw was vast en zeker in de eeuwigheid. Ik klopte hem op zijn rug. „Het gaat vast goed met uw vrouw”, zei ik. Iets was er wat me dat deed denken. Ze zou weleens bij de Heere in de hemel kunnen zijn. Dan gaat het ook goed met haar. Later sprak ik erover met een familielid. Ze kende de man en zijn vrouw. „Och, zij is al lang in glorie”, verzuchtte ze.