:::author_streamer 1::: De zomer is een prachtige tijd. Gods schepping kleurt weldadig in het zonlicht. Aangename geuren dringen je neusgaten binnen. Allerlei vruchten strelen je smaakpapillen. Daarin is iets te zien, horen, proeven, kortom te genieten van ‘s Heeren goedheid. Als de Heere in Zijn liefde, zorg en genade zo veel goeds geeft, wat mag Hij dan terugverwachten? Die vraagt roept Hosea op. De tekst lijkt in eerste instantie prachtig. De (inmiddels) „uitgeledigde wijnstok” heeft overvloedig vrucht gedragen. De Heere heeft Zijn volk overvloed gegeven. Dat heeft bij het volk geleid tot meer altaren en gewijde stenen. Je zou denken: terecht! Echter, die blijken niet gewijd aan de Heere. Het vervolg legt Israëls hart bloot. Het is verdeeld. Het wijdt zich (uit ik-gerichtheid) toe aan allerlei andere goden. De Heere geeft goede vruchten, maar Zelf ontvangt Hij wrange vruchten terug. Het doet denken aan het lied van de wijngaard en het zesvoudig wee dat daarop volgt (Jes. 5). Dat leidt tot Gods oordeel. Christus is de ware Wijnstok (Joh. 15:1). Ook Hij lijkt teleur te stellen (Goede Vrijdag). Hij ondergaat het oordeel, maar dat ligt toch anders. Pasen en vooral Pinksteren laten het zien! Hij brengt wel de vrucht voort waar de Heere recht op heeft. Zo, in en met Hem, kan ”Israël” uit genade óók vrucht voortbrengen. Wie zichzelf als dode wijnstok (of rank) heeft leren kennen, mag tot deze levende Wijnstok vluchten. Christus zegt: „die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht” (Joh. 15:5). Goede vrucht! Dan kom je anders in het leven te staan. Bij alles wat er dan (niet alleen in de zomer) te genieten is en al Gods zegeningen, gaat de vreugde, lofprijzing en dankzegging zich (steeds meer) richten op God. Die goede vruchten is Hij zo waard!