„Zou jij daarover iets willen schrijven vanuit jouw perspectief? We willen een artikel maken met verschillende standpunten.” „Ja hoor!”, zeg ik. En dan duik ik de Bijbel in om te onderzoeken waarom ik eigenlijk niet vast. De eerste keer dat vasten in het Nieuwe Testament voorkomt, is in Mattheüs 6. Jezus waarschuwt daar om niet hypocriet te vasten om indruk te maken op anderen, maar het puur voor God te doen, Die ook het verborgene ziet. Vooralsnog geen reden om niet te vasten. De tweede keer komt vasten voor in Mattheüs 9. De discipelen van Johannes vragen Jezus waarom zij en de farizeeën zo veel vasten, terwijl Zijn discipelen dat niet doen. Jezus antwoordt met een tegenvraag: waarom zou je vasten als de bruidegom er is? Maar Hij profeteert ook dat er dagen zullen komen waarop zijn discipelen wél zullen vasten. Tot dusver nog steeds geen reden om níét te vasten. Later, wanneer een bezeten jongen genezen wordt, vragen de discipelen waarom zij de boze geest niet konden uitdrijven. Jezus antwoordt dat dit alleen kan door bidden en vasten. Vasten heeft dus wel degelijk een functie. Ook na de opstanding, hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest blijven gelovigen vasten, zoals beschreven in Handelingen en de brieven aan de Korinthiërs. De wind is uit mijn zeilen genomen: de Bijbel is niet tegen vasten. Wat ik echter niet terugvind, is een voorschrift voor de veertig dagen voor Pasen. Evenmin lees ik iets over een heilbrengende werking van vasten. Maar vasten op zichzelf blijkt helemaal niet zo slecht te zijn. Weer wat van de rooms-katholieken geleerd! Wie weet, misschien vast ik volgend jaar wel mee. _Jos, bekend van het vervolgverhaal Jenthe in Terdege, blogt vanuit Oostenrijk._