Het zag er gezellig uit. Een aantal kinderen was druk in de weer met stoepkrijt. Op het trottoir, vóór het kerkgebouw, schreven zij met roze, rode en blauwe letters: „Het is Pasen, Jezus leeft!” Geboeid bleef ik even kijken naar dit kleurige tafereel. En luisteren. Ik hoorde een meisje zeggen: „Je moet wel grote letters maken, anders kunnen ze het niet lezen, hoor.” Gelijk heb je, dacht ik bij mijzelf. Eenmaal op de kansel van ons kerkgebouw besloot ik de gemeente te vertellen wat ik zojuist had gezien. De spelende kinderen, spontaan aan het werk met evangelisatieactiviteiten. Inspirerend. >Hoe belangrijk is het toch dat een visser van mensen de kleinste visjes probeert te vangen Ik eindigde de preek die morgen dat wij het paasevangelie moeten doorgeven aan anderen. „Desnoods met stoepkrijt”. Deze oproep vond bijval bij gemeenteleden, in het bijzonder bij de jeugd. Want die dag kreeg ik te horen dat verschillende kinderen, gewapend met stoepkrijt, complete schilderijen op de Dordtse straten hadden gemaakt. Maar liefst drie foto’s werden mij toegestuurd. Een van de ouders schreef: „Vanavond moest ik naar buiten komen. „We zijn de opdracht van de dominee aan het doen, en je moet hem een foto sturen.” Zoonlief zat op zijn knieën met een krijtje het woord Pasen te schrijven, terwijl zijn zusjes aanwijzingen gaf. De vader vervolgde: „Ik kan het niet laten je dit te sturen, op deze dag met twee gezegende diensten.” Ik zag het als een belangrijke les voor mijzelf. Hoe belangrijk is het toch dat een visser van mensen de kleinste visjes probeert te vangen. De ‘verse’ gebeurtenis die ik aan de gemeente had doorgegeven, bleef goed in de jonge hoofdjes hangen. En wat nóg mooier is: deze kinderen zijn een voorbeeld voor de ouderen. Zij brachten het gehoorde meteen in de praktijk. Zonder discussie, zonder mitsen en maren werden zij navolgers. Daarom noemde de Heere Jezus natuurlijk de kinderen een voorbeeld. Worden als een kindeke, zo luidt de opdracht. Wat zongen de jonge kinderen onbevangen over Hem, de grote Davidszoon. „Hosanna de zone Davids”, schalt het uit de jonge monden. Hen de mond snoeren was wel het laatste dat Hij wilde doen. Want uit de mond van de jonge kinderen en de zuigelingen heeft God Zich lof toebereid . Toch maar eens even in de spiegel kijken. Heb ik –net als de jonge kinderen– het paasevangelie op straat doorgegeven? Merkten de mensen aan mij dat ik verlang naar de wederkomst van de ten hemel gevaren Zaligmaker? En was ik vervuld met de pinkstergeest? Ja, ik schrijf bewust in de ik-vorm. Niet de evangelisatiecommissie, niet de zendingscommissie, niet m’n welbespraakte medegemeenteleden, maar ík moet Zijn getuige zijn.