Eén van mijn zwagers maakte de meeste indruk. Binnen zes weken vroeg hij aan mijn moeder: „Moeders, waar moet de was?” Ik keek hem verbaasd aan. „Moeders? Jij gaat wel héél snel.” Met mijn veel te bijdehante mond maakte ik het moment direct ongemakkelijk. Maar eerlijk is eerlijk: ik vond het prachtig. Hij voelde zich zo thuis dat hij bij ons uitziekte, voor de kachel een dutje deed en zonder moeite onderdeel werd van ons gezin. Nog mooier vond ik hoe hij mijn zus beminde. Ik keek er soms met een bak jaloezie naar. Niet omdat ik hem wilde hebben, maar omdat ik zag hoe bijzonder het was om zo speciaal voor iemand te zijn. Achter mijn zondagsboekje verlangde ik er stiekem ook naar. :::author_streamer 1::: Tegelijk veranderde er iets. Mijn zus en ik hadden een goede band. Ineens was er iemand anders die haar belangrijkste persoon werd. Dat is logisch. Sterker nog, het is precies zoals het hoort. Maar voor een meisje van zestien voelde het soms helemaal niet logisch. Er kwam iemand bij in haar leven. En zonder dat iemand het zo bedoelde, veranderde daarmee ook iets tussen ons. Ik miste de speciale momenten samen. De vanzelfsprekendheid om dingen samen te doen. En als ik eerlijk ben, gedroeg ik me soms best vervelend. Ik vroeg aandacht, reageerde soms negatief of overcompenseerde het door overdreven aanwezig te zijn. Maar ik wist zelf niet goed wat er eigenlijk aan de hand was. Als ik terugdenk aan dat meisje van zestien, zou ik haar graag een knuffel geven. „Meid, we houden van je. Je hoort erbij. Je bent onderdeel van ons gezin, óók nu het lijkt alsof je alleen overblijft.” Misschien was dat wel de eerste keer dat ik ontdekte hoe diep een mens kan verlangen naar verbondenheid.