Vol hoofd

Blog Mathilde - 26-08-site

Hier in huis is het nooit een rommeltje. Je kunt hier in iedere la, achter ieder deurtje en onder ieder bed kijken, zonder dat ik me daarvoor hoef te generen.

Mijn moeder heeft angstige momenten gekend toen wij een huis kochten. Mijn slaapkamer was altijd één grote rommel en de angst bestond dan ook dat ons huis eenzelfde uitstraling zou gaan krijgen als mijn kamer thuis. Toen het eenmaal zo ver was, bleek het allemaal wel mee te vallen en werd het hier allesbehalve een bende.

En met de jaren is het eigenlijk alleen maar beter geworden. Of erger, net hoe je het zien wilt. Mijn drang om alles schoon en vooral netjes te hebben, is vergroot en alles wat ik niet gebruik, gooi of doe ik weg.

Het is té als je het sommigen vraagt. Zelf vind ik van niet.

Ik heb dit nodig. Ik kan er niet tegen als ik overal waar ik kijk, spullen zie staan. Ik kan er niet tegen als iedere la of kast die ik opentrek mijn hersenen prikkels geeft, die ze toch al zoveel krijgen.

Het begon in de zwangerschap van Jona. Een klein beetje. Later, toen hij er was en de zorgen zo groot waren, werd het meer, de drang om alles netjes te hebben werd groter. Hoe het kwam, wist ik toen niet. Nu wel.

Toen hij overleed, werd het nóg meer en ik ontdekte waardoor het kwam. Ik heb genoeg, zo niet te veel, aan de prikkels die ik normaal gesproken al krijg. Ik heb overzicht nodig, structuur. Onder andere een vaste dagindeling helpt me daarbij. Opstaan, aankleden, ontbijten. Als ik hier van afwijk, merk ik dat ik het overzicht kwijtraak en kan het gebeuren dat ik pas tegen de middag mijn nachtkleding verwisseld heb voor iets wat door kan voor de dag. Dat voelt vervelend, alsof ik de controle kwijtraak.

Hetzelfde geldt voor taken in huis die gedaan moeten worden. Ik probeer zodra iets gedaan moet worden het ook te doen. Is de vuilniszak vol? Knoop erin en in de ondergrondse container hier vlakbij gooien. Heeft de vaatwasser ’s nachts gedraaid? Op tijd legen. Zo voorkom ik dat de vaat van de ochtend op het aanrecht blijft staan en het in mijn hoofd een opeenstapeling wordt van alle taken die ik nog doen moet voordat de vuile vaat van het aanrecht is.

Ik merk dat ik het niet meer aan kan dingen op z’n beloop te laten. Het wordt dan te vol in mijn toch al overvolle hoofd. Het werkt voor mij op deze manier. En dat is prima, ook al vinden sommige mensen dat ik overdrijf. Zij hoeven niet te leven met dat volle hoofd van mij, ik wel.

Voor mij is dit een manier om te kunnen blijven functioneren in de situatie waarin ik me bevind. Het verlies van Jona heeft me veranderd, het heeft er voor gezorgd dat mijn prikkelverwerking moeizamer gaat. Misschien wordt het ooit beter, maar nu, ruim een jaar na dato, is dat nog niet zo.

Ook mensen om me heen hebben, zorgt voor extra prikkels. Ik vind het fijn mensen te zien, maar met mate. Een grote groep mensen kan ik nog steeds slecht hebben. Maxinaal twee mensen om me heen, is het meest overzichtelijk. En vooral ook: niet te lang.

Ik moet er altijd van bijkomen en voel me niet meer op mijn gemak als mensen te lang blijven, omdat ik daarbij voel dat ik een grens over ga en daar last van krijg. En heb ook Benjamin, die mijn aandacht nodig heeft en er geen boodschap aan heeft dat zijn moeder moet bijkomen van de visite. Zeker nu Sebas uitgevallen is als medeverzorger van hem, moet ik zorgen dat ik die leuke moeder kan blijven die ik ben als ik de prikkels om me heen aan kan.

Ik schrijf dit om mensen ervan bewust te maken van hoe schade na verlies werkt. Ook na een jaar of langer kan iemand nog dagelijks te maken hebben met klachten, zoals ik. Bij het overlijden van Jona is er iets in mij geknapt. Alsof er een draadje doorgebrand is. Opgebrand, niet meer te herstellen. Zo voelt het ook echt. Ik vertel mensen weleens dat ik zo'n gigantische klap heb gekregen, dat ik nooit meer de oude word.

Mensen die zo'n klap lijfelijk krijgen, kunnen NAH (Niet Aangeboren Hersenletsel) oplopen.

Ik denk dat dit psychisch ook kan. Dat een gebeurtenis je zo hard raakt, dat je je hele leven lang te maken houdt met klachten. Ik denk dat je dit dan PTSS noemt, maar toch noem ik het liever NAH. Ik heb namelijk het gevoel dat ik wel functioneren kan, maar anders dan voorheen. En dat past voor mij toch beter bij NAH, dan bij PTSS. Ik kan in mijn beleving alles wat ik meemaak aan. Of laat ik het zo zeggen: ik kan me zelf redden in het dagelijks leven. Maar ik heb structuur nodig en vooral niet te veel prikkels. Gewoon leven geeft mij al genoeg daarvan. Neem een vakantie, dagje weg, verjaardag of andere ‘verstoring’ van het dagelijks leven, en ik ben in zekere mate ontregeld. Dat werkt gewoon niet fijn, dat leeft niet fijn.

Ik moet het doen met hoe het nu is. We leven opnieuw in een uitzonderlijke situatie, waarin er opnieuw psychisch veel belasting is. Ik heb voor mijn gevoel een weg gevonden om daarmee om te gaan, om te kunnen blijven functioneren in deze omstandigheden.

Dat het lukt om zo, al is het met praktische hulp, de boel draaiende te houden is iets waar ik blij mee ben. Dankbaar, dat ik wederom kracht krijg om te dragen, te zorgen en te functioneren, al is het begrensd. Ik kan mezelf redden en ik kan voor mijn gezin en huishouden zorgen. En voor nu is dat meer dan genoeg.

Auteur

Mathilde Beverloo-de Rooij

Volg ons lifestyle platform op instagram.