Lezen: Psalm 90 Psalm 90 is om veel redenen een unieke psalm. Alleen deze psalm draagt de naam van Mozes in het opschrift. Een naam in het opschrift kan verwijzen naar de auteur. Iemand anders kan door een naam zijn psalm verbinden met een gebeurtenis uit het leven van die Bijbelse persoon. Met het noemen van de naam Mozes, verwijst de ons onbekende auteur naar een belangrijk moment uit het leven van Mozes. Een tweede reden waarom Psalm 90 uniek is, is de plaats ervan in het boek Psalmen. Dit Bijbelboek telt twee delen met in totaal vijf hoofdstukken, een inleiding en slot. Het eerste deel is Psalm 1-89, het tweede Psalm 90-150. Psalm 1-2 is de inleiding. Het eerste hoofdstuk is Psalm 3-41, het tweede Psalm 42-72, het derde Psalm 73-89, het vierde Psalm 90-106 en het vijfde hoofdstuk Psalm 107-145. Psalm 146-150 is het slot van Psalmen. Psalm 90 opent het tweede deel en is tegelijk de eerste psalm van hoofdstuk 4. Een van de grote verschillen tussen beide delen is de naam en persoon van David. De meerderheid van de davidische psalmen staat in het eerste deel. Deel 2 telt aanzienlijk minder psalmen met een davidisch opschrift. De psalmen in deel 1 tekenen David als een zwak, angstig en zondig mens. Steeds scherper wordt de neergang van het huis van David zichtbaar. Het dieptepunt tekent Psalm 89, de slotpsalm van het eerste deel. God heeft het huis van David vernederd, Zijn tempel en altaar in puin gelegd en de profeten en priesters laten vermoorden. Het land is leeggeroofd, talloze mensen zijn omgebracht (Psalm 89:39-46). Dit heeft God gedaan! Dit besef brengt Ethan, de dichter van Psalm 89, bijna tot wanhoop. Zult u ooit nog Uw trouw aan ons bewijzen? Verbergt U Zich nu voor altijd voor ons? Wat zult U dan met Uw eer, met Uw Naam doen? Deze weeklacht roept de herinnering wakker van Mozes’ gebed. Net als Mozes spreekt Ethan de Heere aan op Zijn eer en Naam. Anders dan Mozes wijst Ethan de Heere ook op Zijn Gezalfde, Zijn Messias, de Christus der Schriften, de grote Zoon van David (Psalm 89:52). Vraag: Hoe komt het dat Ethan wel, maar Mozes niet over Gods gezalfde spreekt? (2 Sam 7:12-15)