Wokken is fenomenaal. Niet alleen omdat je niet drie uur aan tafel hoeft te zitten. Niet alleen omdat je de maaltijd gerust mag afsluiten met drie ijsjes. Niet alleen omdat je langs vitrines vol eten mag flaneren of gebiologeerd naar een metershoge vlam kunt staren. Maar vooral omdat je je tonnetje rond kúnt eten met precies dat wat je lekker vindt. :::author_streamer 1::: Jarenlang had ik één missie: zo veel eten dat de kosten daarvan ruimschoots boven het entreebedrag uitkwamen. Dus voor mij geen frietjes of fruit – te lage waarde en te vullend. Alleen vlees en vis. Twee zeebaarsfilets met een biefstuk, of een royaal bord gerookte zalm met een T-bonesteak. Ondertussen rekende ik in mijn hoofd mee: 5 euro voor een zeebaarsje, 10 voor de steak. De meeste mensen stoppen met eten wanneer ze voelen dat hun maag vol is. Ze vergeten dat ijs, eenmaal inwendig, smelt en de laatste hoekjes vult. Een goede wokmaag laat een zalm gebroederlijk met een halve koe in een oceaan van mango- en chocolade-ijs zwemmen. Met een volle maag was mijn missie nog niet klaar. De slokdarm moest ook worden volgestapeld. Desnoods met wat licht fruit, om de druk op de maag net iets te verlagen. Maar de laatste tijd doe ik het anders. Ik oefen me in matigheid. Eén zeebaarsfilet is net zo lekker als twee. En als je hem met kleine hapjes eet, geniet je er net zo lang van. Bijkomende winst: ergens in de oceaan kan een halve zeebaars blijven zwemmen. Nu verlaat ik het only-what-you-needrestaurant met een buik vol tevredenheid. Twee pepermuntjes neem ik nog wel, voor elke kant van mijn mond een. Anders gaat een mens maar scheefkauwen.