Het is nu bijna een jaar geleden dat de Nederlandse overheid een stop zette op de mogelijkheid tot adoptie van kinderen uit het buitenland. Te veel negatieve verhalen kwamen boven tafel. Van kinderen die zich totaal ontheemd en ontworteld voelden in Nederland tot biologische ouders die tot adoptie gedwongen waren. Dat het ook anders kan, bewijst het verhaal van Sam. Zijn adoptieouders Gerben en Geke van de Put klommen begin dit jaar in de pen en mailden Terdege met hun geschiedenis, waarin ze overduidelijk Gods zorg zien. Het echtpaar start in 2004 met een adoptieprocedure, als blijkt dat biologische kinderen er niet zullen komen. Jaren gaan eroverheen voordat ze op de wachtlijst geplaatst worden voor een adoptiekindje. En dan worden ze toch nog sneller dan verwacht gebeld: er is een voorstel voor een match met een kindje in Zuid-Afrika, hun land van voorkeur. Wat blijkt: Sams biologische moeder heeft op haar adoptiepapieren Psalm 121 genoteerd. Dezelfde psalm die ook Gerben en Geke in het Zuid-Afrikaans aanhaalden op hun aanvraag. ,,Hoewel onze adoptieaanvraag nog lang niet boven aan de stapel lag, vond het christelijke adoptiebureau Wereldkinderen dit te bijzonder om te negeren. Zo zijn Sam en wij aan elkaar gekoppeld.” Een reis naar Zuid-Afrika volgt, waar ze hun dan bijna twee jaar oude zoontje in de armen mogen sluiten. Drie weken lang blijven ze in het land, zodat ze rustig kennis kunnen maken met Sam. Daarna volgt de terugreis. Het gaat vanaf het begin af aan goed met het jochie. Gerben: ,,Alleen de eerste nachten was hij heel verdrietig.” Geke: ,,Daarom zijn we naast hem gaan slapen, en daarna steeds verder bij hem vandaan, totdat hij gewend was. We wilden hem laten weten dat wij er voor hem zijn en hem nooit meer alleen zullen laten.” Sam zelf herinnert zich daar helemaal niets meer van. Niet van de kleuren en geuren van zijn geboorteland, niet van de kennismaking met een vreemd land. „Ik weet zelfs niet goed wanneer ik voor het eerst begreep dat ik geadopteerd was.” Gerben: „Ik kan me nog herinneren dat we ooit in een stad waren met veel zwervers en dat jij er als klein jochie op stond dat we hen iets zouden geven. Toen dachten we dat je hun armoede misschien onbewust associeerde met Zuid-Afrika, met je biologische moeder. Verder wilde je juist vooral niet anders zijn dan de andere kinderen om je heen. Toen je op de kleuterschool kwam en de juf de klas iets vertelde over je huidskleur, wilde je daar niets van weten. Je liet de juf de onderkant van je hand zien en zei: „Ik ben ook wit hoor.”” :::inline_article 1::: Sam: „Meestal was mijn huidskleur geen issue voor anderen. Soms word ik de verkaasde Afrikaan genoemd.” Geke: „Hij houdt nog meer van boerenkool met worst dan wij.” Sam: „Ik was gewoon nooit zo geïnteresseerd in mijn afkomst.” In 2022 onderneemt het gezin een rootsreis naar Zuid-Afrika, samen met hun andere kinderen Liss (nu 14) en Ann (nu 6), die eveneens in het Afrikaanse land geboren zijn. Geke: „Sam ervoer daar dat puzzelstukjes op zijn plek vielen. Hij had toen juist besloten naar de kappersacademie te gaan, hoewel dat in Nederland niet zo’n mannenberoep is. In Zuid-Afrika zag hij dat er juist heel veel kapperszaken gerund worden door mannen. Dat was voor hem een verademing.” ## Berichtje Op een dag gebeurt er iets heel onverwachts. Sam, die juist een Facebookaccount heeft aangemaakt om kappersmodellen te zoeken voor school, krijgt een berichtje van een vrouw die zegt dat ze zijn biologische moeder is. „Ze zei dat ze al heel lang op zoek was naar iemand met mijn naam en achternaam, omdat haar zoon zo heet. Op advies van mijn ouders heb ik haar wat vragen gesteld over mezelf. Ze wist de antwoorden. Toen was het duidelijk. Ik schrok er niet van dat ze mij had gevonden. Papa en mama waren erger geschrokken.” :::inline_article 2::: Geke: „Ik weet het nog goed. Het was 21 oktober 2023. Ik zat achter de naaimachine toen Sam thuiskwam en ik zag hem vanuit mijn ooghoeken langslopen en op zijn mobiel kijken. Meestal bleef hij wat langer in de bijkeuken plakken, maar nu kwam hij al heel snel naar binnen met zijn telefoon in zijn handen. Hij zei: „Ik denk dat ik mijn biologische moeder heb ontmoet. Dit is ze.” En voordat ik het doorhad, zag ik de foto al en wist ik dat hij gelijk had. Ze leek namelijk sprekend op het fotootje van zijn moeder dat we kregen toen we Sam adopteerden.” Sam: „Ze had zelf ook babyfoto’s van mij.” Een bijzondere en verwarrende tijd breekt aan. Gerben: „Je denkt dat je ouderschap op losse schroeven staat.” Geke: „Je bent overweldigd en verward, maar tegelijk ook dankbaar dat er mogelijkheid tot contact is met Sams moeder.” Gerben: „We hebben wel meteen Wereldkinderen benaderd met de vraag wat we hiermee moeten. Zij zijn de professionals op dat terrein. Zij adviseerden ons om te kijken wat het contact met Sam doet en het langzaam op te bouwen. Want terugdraaien konden we dit toch niet meer.” De eerste appjes met Sams moeder roepen allerlei vragen op die hen tot dan toe onbekend waren. Gerben: „Hoe we Sam moesten noemen, bijvoorbeeld. Is hij onze zoon of haar zoon? Zo’n bezittelijk voornaamwoord zegt heel veel. Wij wilden niet de claim op hem leggen, want zij is zijn geboortemoeder.” Geke: „Zij noemde Sam al snel haar zoon, en gaf hem de naam die zij hem bij zijn geboorte gegeven had. Dat vond ik geen leuk moment.” Knikkend naar haar man: „Jij zei toen: „Het is wel zo.” Maar dat wilde ik helemaal niet horen. Want Sam is ook míjn zoon.” Gerben: „We hebben hem opgevoed als onze zoon, maar hij is niet ons vlees en bloed. En dat is confronterend.” Sam is zelf vrij nuchter onder het contact met zijn moeder, ook in die eerste periode. „Al vond ik het natuurlijk wel bijzonder.” Geke: „Je ging in die tijd extra veel fietsen met je BMX, terwijl de fiets daarvoor maanden in de schuur stond. Dat was jouw manier om het nieuws een plekje te geven, denk ik.” :::author_streamer 1::: De conversaties met Sams moeder verplaatsen zich al snel van Facebook naar appjes via de telefoon. Sam: „Ze stuurde lange verhalen over hoe de adoptie was gegaan. Dat zij nog maar zeventien was toen ze mij kreeg en dat ik ziek was. Ze voelde zich natuurlijk schuldig. Ik heb haar gezegd dat dat niet hoefde.” Als Sam later ook telefonisch met zijn moeder in gesprek gaat, voelt dat een beetje onwennig. „Ik wist dat die persoon mijn moeder was, en zij was in tranen. Maar ik wist niet goed wat ik daarmee aan moest. Later kwamen er steeds weer foto’s en berichtjes. En zo gaat het nu nog steeds. We bellen elk weekend en ik krijg elke dag wel een appje van haar. Zelf vertel ik haar ook van alles over wat er gebeurt in mijn leven.” ## Exclusieve band Wat zijn biologische moeder op dit moment voor hem betekent, weet hij niet goed. „Ik noem haar mama, net als mijn Nederlandse moeder.” Geke: „Je bent gewoon rijk gezegend met twee moeders.” Sam: „Ik heb nu gewoon een heel grote familie.” Lachend: „Al wonen we een beetje ver van elkaar vandaan.” Gerben: „Ben je niet bang dat je later anders over je relatie met haar gaat denken?” Sam, nuchter als altijd: „Dat weet ik niet. Dat kan. Maar daar ga ik nu nog niet over nadenken.” Hij vindt het wel lastig dat ze het niet zo breed heeft, zegt hij. „Haar situatie in Zuid-Afrika is zo anders dan de onze.” Geke: „We merken dat ook aan de vragen die ze stelt. Als Sam ’s avonds op zijn fiets weggaat, vraagt ze meteen: „Is dat wel veilig?”” Gerben: „Dat is bijna bij alles haar eerste vraag. Want de wijk waar zij jarenlang gewoond is, is totaal niet veilig.” :::photo_gallery 1::: Geke: „Voor Sam vallen met de kennismaking met zijn moeder nog meer puzzelstukjes op zijn plek. Hij heeft een bril, zijn moeder ook. Hij heeft astma, zijn moeder ook. Hij houdt van het kappersvak, zijn moeder en inmiddels overleden oma ook.” Gerben: „Ook uiterlijk lijkt hij op zijn moeder.” Sam: „Ik kan me qua gedrag en uiterlijk natuurlijk niet spiegelen aan mijn ouders hier in Nederland. Ik wist bijvoorbeeld niet hoe lang ik zou worden en was ineens een kop groter dan papa.” Gerben: „Zulke dingen zijn voor ons ook een verrassing.” Inmiddels maakt Sams biologische moeder deel uit van het gezin, ervaren Geke en Gerben. De laatste: „We zien dat hij een heel mooie relatie met haar heeft opgebouwd en hopen dat die standhoudt. We zien het ook als een exclusieve band, waar wij op een bepaalde manier afstand van moeten nemen, zonder daar jaloers op te hoeven zijn.” Geke: „Wat helpt is dat wij ook contact met haar hebben. Ze wilde bijvoorbeeld graag weten of Sam echt niet boos op haar is en haar niets kwalijk neemt. Wij vertelden haar dat ze met zijn adoptie juist een daad van liefde had gedaan om hem een toekomst te geven. We zien daarin alle drie Gods leiding.” :::inline_article 3::: Gerben: „De kennismaking met Sams moeder is voor ons een confrontatie met de keerzijde van ons eigen adoptiegeluk. Wij voelen ons gezegend met onze drie kinderen, maar we weten dat er aan de andere kant van de wereld vrouwen zitten met verdriet, omdat ze hun kinderen hebben moeten afstaan. Dat voelt onrechtvaardig.” Geke: „In die zin hopen we dat we in het contact met Sams moeder iets terug kunnen geven aan haar. We willen laten zien dat hij goed terecht is gekomen en toekomstperspectief heeft. En dat zijn christelijke identiteit het fundament is. We hopen ook dat Sam nooit een loyaliteitsconflict zal ervaren. Want hij hoeft niet te kiezen tussen haar en ons, zij hoort erbij.” ## Reis In april gaat het gezin opnieuw op reis naar Zuid-Afrika. Deze keer om de moeder van Sam te ontmoeten. Geke: „De baby die ze als jongetje heeft achtergelaten, ziet ze nu terug als een boom van een vet die ze fysiek kan omarmen.” Gerben: „Al is het voor haar vast ook confronterend om te zien wat ze gemist heeft. Ze wil daarom alle foto’s zien van de opgroeiende Sam, om zo de tijd in te halen. En dat is goed. We hebben liefde voor hetzelfde kind, en dat maakt de band hecht.” Geke: „We respecteren en waarderen haar. Zij heeft Sam negen maanden gedragen en elf maanden voor hem gezorgd.” Gerben: „We willen haar daarvoor bedanken. Het is fijn om dat te kunnen doen als we elkaar straks in de ogen kijken.” Als het even kan, willen ze Sams moeder materieel steunen. Maar dat is tot nu toe moeilijker dan gewacht. Geke: „Ze stuurde op een gegeven moment een filmpje om te laten zien waar ze woont. Daar schrokken we zo van dat we liefst op het vliegtuig gestapt waren om haar te helpen, zodat ze in een goed appartement kan wonen en genoeg te eten heeft. Maar dat was praktisch niet haalbaar en ook niet veilig. Voor ons niet om als blanken in haar wijk te komen, en voor haar niet met blanke mensen om zich heen. Via via hebben we geprobeerd geld over te maken, maar ook dat was lastig. Het is nu onze intentie om haar bij de ontmoeting te helpen, een bed voor haar te kopen bijvoorbeeld. Want ze slapen met z’n drieën in een bed.” Gerben: „Ze liet pas trots foto’s zien van haar kinderen met een ijsje. Dat hadden ze bij wijze van uitzondering gekregen voor hun rapport. Terwijl wij zo de diepvriesla vol ijsjes open kunnen trekken.” Geke: „Ze wil ook met ons op safari, want hoewel ze in Zuid-Afrika woont, heeft ze nog nooit een zebra gezien.” Sam ziet uit naar de reis. Hij is vooral benieuwd of hij haar gaat herkennen als moeder. En of ze hem meer kan vertellen over zijn vader. Hij heeft nog een broer en zus die hij hoopt te ontmoeten. En hij wil graag zien waar ze leven. Geke: „De fysieke ontmoeting wordt de bekroning op het contact dat we tot nu toe met haar hadden. We hopen dat ze daarmee haar eigen verdriet om de adoptie een plekje kan geven.” Of hij er niet ook een beetje tegenop ziet? „Ik heb niet zo snel last van spanning. Ik zie wel hoe het is als ik daar ben. Papa en mama plannen van alles, maar je kunt je toch niet helemaal voorbereiden op zo’n ontmoeting.” Geke: „We nemen in elk geval zakdoekjes mee.” Sam, met een grijns: „Voor de tranen die gaan vallen bij jullie. En bij haar.” Geke: „Misschien bij jou ook wel.” Sam haalt grijnzend zijn schouders op. „Dat gaan we merken.”