Ik laat mijn mobiel zakken. Waarom neemt Maarten zijn telefoon nou toch niet op! En wat zal ik nu doen? Op mijn sokken sta ik in de sneeuw. Ik bijt op m’n onderlip, terwijl ik naar het winterse bos achter het huis staar. Mijn hartstochtelijke liefde voor de witte wereld verdwijnt als sneeuw voor de zon. Paniek laait in me op. In een ruime cirkel rondom het huis ligt een stroomdraad. Daardoor kan onze Beer altijd vrij rondlopen. Pas als de hond in de buurt van de draad komt, hoort hij via zijn halsband een piepje dat hem ervan weerhoudt te ver te gaan. Nu de draad onder de sneeuw ligt, werkt-ie blijkbaar niet meer. Of misschien heeft de sneeuwschuiver die af en toe de berg op komt hem kapotgetrokken. In elk geval gaat er iets goed mis… Een kwartier geleden heb ik Beer naar buiten gelaten. Terwijl de hond op het erf rondstruinde, vulde ik de wasmachine. Tot plotseling een luid blaffen mijn aandacht trok. Het was niet alleen de zware bas van Beer die ik hoorde, ertussendoor klonk het schorre geblaf van geschrokken reeën. Met een ruk keek ik op, om –door het badkamerraampje– nog net drie schimmen weg te zien stuiven: twee ranke figuurtjes én een flink bakbeest, dat toch ook verrassend veel vaart bleek te maken: onze leonberger. Ik vloog de hal door, de achterdeur uit en op mijn sokken de sneeuw in, naar de bosrand. „Beer!” riep ik. „Beer! Hier!” Ik klauterde een eindje omhoog, riep nog een paar keer en luisterde of het geblaf nog klonk. Maar er was niets dan stilte. Aan een struik trok ik mezelf verder tegen de berg op, een koude massa gleed in mijn nek. Mijn voeten raakten doorweekt en ik viel op mijn knieën, toen ik een stuk teruggleed. Daarna greep ik mijn telefoon. Hopelijk was Maarten in de buurt. We moesten met z’n tweeën gaan zoeken, en wel zo snel mogelijk. Een loslopende hond kan groot gevaar betekenen, zeker op een dag als deze, met slecht zicht en gladheid op de wegen. Wat, als iemand zou moeten uitwijken voor onze Beer … Maar mijn wederhelft hoort zijn telefoon kennelijk niet. Zo goed en zo kwaad als het gaat, ren ik naar huis. Snel trek ik mijn snowboots aan. Dan haast ik me terug naar de plek waar Beer verdween. Weer roep ik tevergeefs. Opeens valt mijn blik op sporen in de sneeuw: kleine, puntige afdrukjes en grote prenten van Beers poten. Yes! Zie je wel dat sneeuw tóch fantastisch is. Ik hoef alleen die sporen maar te volgen! Zo simpel als het lijkt, is het niet om dwars door de sneeuw in een steil stuk bos te ploeteren. Hoewel ik daarnet vergeten ben mijn jas aan te trekken, breekt het zweet me uit. Alleen mijn kletsnatte voeten worden ijs- en ijskoud.