De periode van zeven lijdenszondagen gaat in de kerkgeschiedenis terug op de zogenaamde veertigdagentijd. Deze veertigdagentijd was er niet in één keer, maar is in de eerste eeuwen na Christus langzaamaan ontstaan. Er wordt de periode van veertig dagen mee bedoeld die aan Pasen voorafgaat. In deze vroege eeuwen was het een tijd van vasten, boete en inkeer ter voorbereiding op het paasfeest. Het getal veertig zal verband houden met de perioden van veertig dagen die we ook in de Bijbel tegenkomen. Denk aan de Heere Jezus Zelf; Hij was veertig dagen –vastend– in de woestijn om verzocht te worden. Deze veertigdagentijd ter voorbereiding op Pasen had in die tijd echter speciale betekenis voor de catechumenen: degenen die zich erop voorbereidden om met Pasen gedoopt te worden en zodoende opgenomen te worden in de gemeenschap van de kerk. Wij zouden ze vandaag de dag belijdeniscatechisanten noemen. Voor hen vormen deze veertig dagen een laatste, intensieve voorbereiding op hun doop. De stof voor de zondagse prediking gedurende deze veertigdagentijd hield dan ook nadrukkelijk verband met het onderwijs aan de catechumenen. Elk van de zes zondagen in deze periode had zijn vaste Bijbellezing uit de evangeliën, waarover gepreekt werd. Zo kwam de verzoeking van Jezus in de woestijn aan de orde, de verheerlijking op de berg en de wonderbare spijziging. En dit nadrukkelijk tot lering van deze aanstaande leden van de kerk. Op de zesde en laatste zondag ging het over de intocht van Jezus in Jeruzalem. Deze zondag staat om die reden bekend als de Palmzondag. Die zondag was het begin van de zogenaamde Stille Week. In die week ging alle aandacht uit naar het lijden en sterven van Christus. Met uiteraard als zwaartepunt de Goede Vrijdag. Er vallen in elk geval twee dingen op. Het eerste is dat de veertigdagentijd zes zondagen omvat en geen zeven zoals onze lijdenstijd. En aangezien er op de zondagen niet gevast werd, begon de veertigdagentijd op woensdag. Die woensdag staat in de rooms-katholieke traditie bekend als Aswoensdag. Op deze dag tekent de priester een kruisje op de voorhoofden van de kerkgangers en daarbij zegt hij: „Gedenk, mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren.” Het tweede wat opvalt, is dat ten tijde van de Vroege Kerk niet de hele periode in het teken stond van het lijden van Christus, maar in strikte zin alleen de laatste week. :::author_streamer 1::: De reformatoren braken met deze vastentijd voorafgaande aan Pasen; dat wil zeggen: het accent werd verlegd van het vasten naar de verkondiging van het lijden en sterven van Christus. En in plaats van de veertigdagentijd komen er in de gereformeerde traditie zeven lijdenszondagen. Waarom het er zeven zijn, is niet helemaal duidelijk. Mogelijk liet men de lijdenstijd een zondag eerder ingaan dan de veertigdagentijd, om het kerkvolk ervan te weerhouden de roomse gebruiken aan de hand te houden. Overigens is er, afgezien van een provinciale synode aan het begin van de zeventiende eeuw, nooit een officieel kerkelijk besluit genomen over het aantal lijdenszondagen. Opmerkelijk genoeg was er oorspronkelijk óók sprake van zes adventsweken. Dit getal is in de roomse traditie zelf al teruggebracht tot vier.