Ieder jaar rond half december worden de vaarwegen merkbaar leger. Ondertussen vullen de havens in Nederland zich langzaam met schepen. Traditiegetrouw liggen schippersfamilies in de kerstvakantie bij elkaar, langszij in hun thuishavens. Het hele jaar door varen ze hard, brengen ze ladingen naar uiteenlopende bestemmingen en zien ze elkaar weinig. De laatste dagen van december brengen ze samen door. :::author_streamer 1::: Wij zetten koers richting de Betuwe. Een echte thuishaven hebben we niet, want op de Veluwe is helaas weinig water te bespeuren. Dus werd Rhenen voor het derde jaar onze ligplaats. Vrienden van ons waren al eerder gearriveerd en onder het vertrouwde geklingel van het carillon van de Cuneratoren meerden we af. De motor ging uit en zou pas in het nieuwe jaar zijn toeren hervatten. Binnen een paar dagen lagen er dertien schepen aan elkaar vastgeknoopt: drie rijen lang, vier à vijf rijen breed. We legden de loopplanken uit, om zo het ene schip met het andere te verbinden. Samen vormden de schepen een drijvend dorpje. Twee weken lang genoten we ervan dat vrienden onze buren waren. De loopplanken draaiden overuren, de kinderen speelden de hele dag en ’s avonds vulde de roef zich met gezelligheid. Aan alles komt een eind en januari diende zich aan. De sociale batterijen waren opgeladen, de plicht riep. De motoren draaiden warm en de touwen gingen los. We namen afscheid, wensten elkaar een behouden vaart en het drijvende dorpje viel uiteen. Ook de andere havens in Nederland liepen leeg. Schippersgezinnen die een paar weken elkaars buren zijn geweest, werden weer collega’s op afstand. Inmiddels zijn we weer onderweg. We weten niet waar en wanneer we de anderen opnieuw tegenkomen. Dat is het schippersleven: altijd onderweg, komen en gaan, ergens zijn en weer vertrekken. Ons thuis wordt niet bepaald door een vaste haven, maar door het samenzijn als gezin aan boord. Ons werk bevindt zich op het water en ons huis dobbert mee.