Zo is het lang geweest in de kerk. In ieder geval tot de Reformatie. Zoals Israël eens per jaar vastte op Grote Verzoendag, werd al vroeg besloten veertig uur voor Pasen te vasten. Dat wil zeggen: één keer per dag een maaltijd nuttigen aan het eind van de dag. Op den duur werd het een voorschrift voor de hele stille week en bij het concilie van Nicea in 325 na Chr. werd het veertig dagen, omdat Christus ook veertig dagen had gevast in de woestijn. Op de eerste van die veertig dagen, de Aswoensdag, alsmede de laatste vrijdag –Goede Vrijdag– mocht ook geen vlees gegeten worden. Later werd dat een gebod voor elke vrijdag. Wanneer men telt van Aswoensdag tot Pasen, dan komt men aan 46 dagen. Op zondagen werd echter niet gevast. Toen men voorstelde om ook op zondag te vasten, kwam er op het concilie van Granga in 340 na Chr. een ernstige vervloeking tegen dit voorstel. Bij de opstandingsdag van Christus behoort geen vasten. Kunnen de bruiloftskinderen vasten als de Bruidegom daar is? ## Rooms-katholieken Binnen de Rooms Katholieke traditie is dit vasten al lang niet meer actueel. De bisschoppenconferentie van 1989 besloot: „Wij bepalen dat Aswoensdag en Goede Vrijdag dagen van verplichte vasten en onthouding in spijs en drank zijn en dat verder het bepalen van de wijze van de beoefening van boete en onthouding aan het eigen geweten en initiatief van de gelovigen wordt overgelaten. Aan de plicht tot vasten in de veertigdagentijd en tot onthouding op de vrijdagen kan worden voldaan, door zich in eten en drinken, in roken of in andere genoegens duidelijk te beperken. Het geld dat hiermee wordt uitgespaard, kan bestemd worden voor de naasten die honger lijden of anderszins gebrek lijden. Het is voorts passend dat men zich in de veertigdagentijd meer dan anders wijdt aan werken van christelijke naastenliefde en met meer toeleg het Woord van God leest.” ## Protestanten Deze vorm van vasten raakte steeds meer in onder protestanten. Zeker niet onder invloed van wat (nadere) reformatoren daarover schreven. Zij zagen wel het nut van vasten, maar niet zozeer in de lijdenstijd. Guido de Brès citeerde over het vasten met instemming Origenes: „Vast van alle zonden, eet geen spijs van boosaardigheid, (…) vast van kwaaddoen, spreek geen verkeerde woorden, wacht u voor kwade gedachten, raak de zuurdesem van verkeerde leerstellingen niet aan en jaag niet de verkeerde spijzen van de filosofie na die u van de waarheid aftrekken. Een dergelijk vasten behaagt God, maar de onthouding van spijzen die God geschapen heeft voor de gelovigen om te nuttigen met dankzegging (…) dat kan de Heere niet behagen.” Voetius merkte erover op: „Die tijd van veertig dagen waarin Christus niet gegeten heeft, was een wonder dat Hij volbracht heeft, en bij gevolg behoeven wij Hem daarin net zomin na te volgen als in Zijn andere wonderen. Het is een vorm van ketterij en godslastering ten opzichte van de gekruisigde Christus, om er een genoegdoening voor onze zonden aan toe te schrijven, die met reden slechts aan Christus toegeschreven mag worden.” Zeker zag hij, net als vele anderen met hem, ook het positieve van vasten om zich te kunnen concentreren op het gebed. Maar zeker niet als verplichting en verdienstelijkheid. De dichter Willem Barnard zou zeggen: „Vasten betekent één ding zo vast voor ogen houden, dat allerlei daarnaast bijkomstig wordt. Vasthoudend zijn, geconcentreerd op, met volle inzet en aandacht bij hetgeen komende is, ja bij Degene Die komende is.”